Kort na de open dag van het gemeentearchief op 31-10-1987 had ik een gesprek met mevrouw M.J. van Eenennaam-Leenders; bij degenen die haar van vroeger kennen bekend als Marietje Leenders. Zij werd op 27 september 1920 in Hees geboren, waar haar vader een boerderij had aan de Laarsedam. Haar zus Nellie (Petronella Maria) was dienstmeisje bij de familie van der Tuuk. Mevrouw van Eenennaam vertelde mij het volgende verhaal.

De familie van der Tuuk was naar Groningen. En omdat het zo'n rare toestand was, zou ik een paar nachten bij mijn zusje in huis zijn. Wij sliepen op de logeerkamer aan de voorkant van het huis. Het was de laatste nacht dat ik daar zou zijn. Er vlogen vliegtuigen over: zzjj, zzjj. Opeens hoorden we wat aankomen. Uit angst trok ik de dekens over me heen ..... en verder wisten we niets meer. We hebben niets van de ontploffing gemerkt of gehoord. Alleen: we hoorden iets aankomen.

Even later kwamen we weer bij; want we zijn natuurlijk buiten bewustzijn geweest. Ik wist dat ik in bed moest liggen, maar ik voelde om mij heen niets dan steen en puin. En mijn mond zat vol met zand. Toen zei mijn zuster – ik hoor het haar nog zeggen - : "Leef jij nog?" Ik zei: "Ja, ik leef nog". Wij wisten niet wat er gebeurd was. Dat kan natuurlijk ook niet. Maar ik had het gevoel dat ik boven op het dak zat. Omdat ik niet wist waar ik was, durfde ik me niet te verroeren. We hoorden overal in de omgeving "hulp, hulp!" roepen. Wij begonnen dus ook maar om hulp te roepen. Even daarna kwam mijnheer van Haaren van de overkant; die heeft ons uit het puin gehaald. Ik hoefde maar een paar stappen te doen en toen stond ik op straat. Je kunt je dat niet voorstellen.

Mijnheer van Haaren vroeg ons: "Meisjes, kunnen jullie lopen? Hebben jullie niets?" "Nee, wij hebben niets", was ons antwoord. Ik had een rose pyama aan, en ik had wel gezien dat er allemaal donkere plekken op zaten, maar ik had er geen erg in dat dat bloed was. Ik had namelijk een diepe hoofdwond. Maar je voelde geen pijn. Wij dachten inderdaad: wij mankeren niets! Toen zei hij: "Jullie kunnen nog lopen. Ik moet ook andere mensen gaan helpen". Daar stonden we dus op straat. Ik zei tegen mijn zusje: "Laten we maar naar de Kruisheren gaan". Daar zijn we aangekomen. Ze waren druk bezig met het glas weg te vegen en zo. En toen ik vroeg: "Mogen we hier misschien binnen", toen werd ons gezegd: "Alles is hier ook kapot". Ik zei: "Nou, dan gaan we naar de familie Las". Dat was destijds ook onze bakker. Ze woonden even verderop. Daar stonden ze buiten ook al glas te vegen. Toen wij daar aankwamen, vroegen ze: "Wie zijn jullie?" Wij zeiden: "Wij zijn die meisjes van Leenders". Wij waren blijkbaar onherkenbaar. Zoals wij er uit gezien hebben! Ze zeiden onmiddellijk: "Kom maar binnen". Daar stond een canapé. Mijn zuster ging in de ene hoek van de canapé zitten, ik in de andere. Daar zaten we, in elkaar gedoken en gekrompen. Ik herinner me dat ze direct een doek over de spiegel hebben gehangen. Dan konden we onszelf tenminste niet zien. Ook hoorde ik mompelen: "Moeten die meisjes niet bediend worden?"

Er kwam een dokter; dokter van der Made. Ook de ziekenwagen kwam. Ze hebben mijn zuster en mij op een brancard gelegd en in de auto geschoven. De auto ging rijden. Ik was helemaal goed bij kennis. Ik dacht: nu gaan we rijden; nu rijden we zo; nu rijden we geloof ik in de Dennenstraat. Zo ging dat. Misschien hebben we wel heel ergens anders gezeten; ik weet het niet. Maar goed, we zijn dus in het ziekenhuis aangekomen. Dokter Fokke heeft direct die wond van mij behandeld. Het haar moest weggeschoren worden, want dat zat vol bloed en vuil. Wij hebben waarschijnlijk in een stofwolk gezeten. Onze nagels waren pik- en pikzwart. Ik heb het mij altijd zo voorgesteld: wij zijn daar aangekomen als zwarte Piet, en dan met al dat bloed!

Mijn zuster vertelde mij later, dat zij op haar kussen was blijven zitten. Vandaar waarschijnlijk dat zij veel ernstiger gewond was dan ik. Die had hier een stuk vlees uit, daar een stuk. Alles was gescheurd: de oogleden, in de hals. Daarom dachten ze toen ook dat zij zou sterven.

Tegen de ochtend, het begon al licht te worden, werd ik naar mijn kamer gebracht. Mijn zuster kwam maar niet. Ik dacht: ik geloof vast dat die dood is. Maar goed, later op de dag is ze toch gekomen. We hebben met zijn drieën op een kamer gelegen: mevrouw van Loon, mijn zuster en ik. Die eerste dagen, als er een vliegtuig overkwam, dan kroop je in elkaar. Want je had het gevoel dat ie op je af kwam. Ook later thuis, toen ik uit het ziekenhuis was: ik ben wel onder de tafel gekropen, als er een vliegtuig aankwam. Zo zat de angst er in.

Het hele ziekenhuis kwam naar ons kijken, want ze wilden wel eens weten, hoe wij uit dat puin gekomen waren. Ik heb later wel eens horen zeggen, dat wij door een wonder gered zijn. Normaal gesproken hadden wij daar niet levend onder uit kunnen komen. Ja, wij hebben een enorme belangstelling gehad vanuit het ziekenhuis. Ik ben ook nog ondervraagd; ik denk door de politie. Ik heb ruim een maand in het ziekenhuis gelegen, maar mijn zuster veel langer. Na een half jaar kwam bij haar nog glas uit de ogen gegroeid. Ze is ook nog ruim een half jaar in Utrecht geweest, in een oogkliniek.

Tot zover het verhaal van mevrouw van Eenennaam. Als bijzonderheid kunnen we er nog aan toevoegen, dat zij op 22 februari 1944 weer het slachtoffer had kunnen worden van vallende bommen. Tijdens het bombardement, dat toen plaats had en dat een groot deel van de Nijmeegse binnenstad vernietigde, bevond zij zich in de Bisschop Hamerstraat. Dat stukje stad werd echter niet getroffen, zodat zij toen gespaard bleef voor nieuwe nare belevenissen.